De Geschiedenis van de Wereldbeker Wielrennen

De eerste periode: 1947-1958 Challenge Desgrange-Colombo

Vanaf 1947 bestaan er jaarcompetities in het wielrennen. Deze competities zijn ingevoerd om het internationale karakter van de wielersport te bevorderen. In Italië bijvoorbeeld werd in de periode 1900 tot 1950 meer dan 90% van de koersen door Italianen gewonnen (de eerste buitenlandse zege in de Giro zag pas in 1950 het daglicht), in Frankrijk meer dan 50% en in België werd eveneens meer dan 85% van de koersen gewonnen door Belgen (Bron: Le Cyclisme 1944-50 blz. 8 en 9).
Reden voor de organiserende kranten in de drie genoemde landen om hier verandering in aan te brengen. L?Equipe, La Gazzetta Dello Sport, Les Sports (Bel) en de Sportwereld presenteerden in oktober 1947 de zogenaamde Challenge Desgrange-Colombo, zo vernoemd naar de initiatiefnemers van respectievelijk de Tour en de Giro.

Om tot een jaarlijks klassement te komen koos men in eerste instantie voor drie koersen per land:

  • Frankrijk: Parijs-Roubaix, Parijs-Tours en de Tour de France
  • Italië: Milaan-San Remo, de Ronde van Lombardije en de Giro d?Italia
  • België: Parijs-Brussel, de Ronde van Vlaanderen en de Waalse Pijl.

Aan elk van de koersen werd een bepaald puntenaantal toegekend voor de eerste x aankomenden, waarbij voor de Tour en de Giro die punten werden verdubbeld, aangezien het ging om een zeer zware koers. Daarnaast werd afgesproken, dat, om voor een prijs in aanmerking te komen, elke renner tenminste één koers in elk land gereden moest hebben. Verder werd er een landenprogramma opgezet (Internations), dat punten aan de deelnemende landen toekende. Hiertoe werden de Desgrange-Colombo-punten van de eerste vijf renners per land per koers bij elkaar opgeteld. Wij doen hier verder niets mee.

In 1949 werd de Tour de Suisse toegevoegd, overigens zonder de verplichting om deze te rijden, aangezien de inschrijving niet voor een ieder open was. In november 1950 werd besloten, ter compensatie van het dubbeltellen van de Tour en de Giro, om in 1951 Luik-Bastenaken-Luik aan het programma toe te voegen. België telde dus vier koersen in plaats van drie.?

Om een idee te geven van de prijzen: in 1955 verdiende de eerste plaats Ffr. 1 mln., de tweede plek leverde Ffr. 500.000 op en de derde plek Ffr 250.000. De zesde plek leverde toch nog Ffr 50.000 op. Voor alle duidelijkheid: het gaat hier om oude francs!

De tweede periode: 1959-1987 Super Prestige Pernod

Het jaar 1959 was een roerig wielerjaar, waarin de extra-sportieve merken voor de nodige conflicten zorgden, met name tussen de organisatoren van de grote ronden. Dit had ondermeer als gevolg, dat de Desgrange-Colombo na elf jaar terziele ging. De nieuwe jaarcompetitie werd genoemd naar de sponsor ervan: de Super Prestige Pernod. In 1959 is er wederom sprake van Franse wedstrijden, maar staat de competitie wel open voor buitenlandse renners. In 1960 mogen ook de buitenlandse klassiekers weer meedoen, zodat weer sprake is van een internationale competitie. Onze gegevens zijn er echter niet helemaal dekkend, zodat we aannemen dat in de jaren 1961 en 1962 dezelfde koersen werden verreden. In 1963 wordt de Wereldbeker voor Merken ingevoerd, hetgeen verder niet wordt uitgewerkt. Voor de Prestige Pernod werd door de sponsor in 1963 Ffr 4.000.000 uitbetaald. De Super Prestige Pernod is daar een onderdeel van.

In 1974 staan er wederom 20 koersen op het programma, waarbij de Tour Nouvelle France is ingeruild voor de Ronde van Zwitserland. Ook de puntentelling van sommige koersen wordt gewijzigd (bv de Dauphiné wordt hoger aangeslagen en krijgt evenveel punten als Parijs-Nice. Ook de prijzenpot is beter gevuld: de eerste plek levert Ffr 35.000 (was Ffr 20.000), de tweede plek Ffr 15.000, de derde Ffr 7.500, de vierde Ffr 4.500 en de vijfde toch nog Ffr 3.000.

In 1987 staan er maar liefst 33 koersen op het programma: een overvolle wieleragenda dus. Dit zou tevens het laatste jaar van de Super Prestige pernod worden.

De derde periode: 1988-2004 De Wereldbeker

Sinds jaar en dag wordt de Wereldbeker voor Ploegen verreden. In 1988 hield de Super Prestige Pernod op te bestaan en werd vervangen (als proef) door de Wereldbeker voor Individuen. In feite ging het om dezelfde wedstrijden als voor ploegen, maar de resultaten werden individueel geteld. Daarnaast was er het FICP-Velo, de zogenaamde wereldranglijst, maar dit was duidelijk geen competitie maar een ranglijst. Voor 1988 (=overgangsjaar) telde de wedstrijdkalender 13 wedstrijden.

Het jaar 1989 is het eerste jaar van de officiële Perrier-Wereldbeker, waarin twaalf koersen opgenomen. Het gaat in alle gevallen om eendagskoersen, die zowel tellen voor het ploegenklassement als voor het individueel klassement. Uitzondering daarop is de ploegentijdrit Grand Prix de la Liberation in Eindhoven, die slechts telde voor het ploegenklassement. Voor het eindklassement komen slechts die renners in aanmerking, die ¾ van het wereldbeker programma hebben gereden (dus 9 wedstrijden).

In 1990 werd het puntensysteem drastisch herzien. Niet de eerste 10, maar de eerste 20 krijgen punten. Bovendien was er sprake van 13 wedstrijden in plaats van 12, zij het dat de Grand Prix de la Liberation niet meetelde voor het individuele klassement. De finale in Lunel telde weer niet mee voor het ploegenklassement. Tenslotte dienden de renners, om mee te tellen voor het eindklassement, tenminste 3/5 van het aantal wedstrijden te rijden (dus 7 of 8). De Grand Prix Lunel in Frankrijk is een tijdrit, die wordt gereden als finale van wereldbekerklassement. Aangezien slechts 19 renners starten èn finishten worden de punten voor plek 20 niet uitgedeeld (1 pnt).

In 1992 haakte Perrier, de sponsor van de Wereldbeker, af. De sponsor voor de jaren 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996 is de EBU (European Broadcasting Union): we spreken dan ook van de EBU-Wereldbeker. Mede door de sponsorproblemen ontstaat er een vlakke competitie, waar in de finale op Mallorca slechts zeven van 25 startgerechtigde renners aan de start verschenen. Er werden 11 wildcards uitgedeeld, zodat er een deelnemersveld van 18 renners ontstond. In totaal 12 koersen, die meetellen voor het individuele klassement, overigens slechts de eerste 12 renners vallen in de prijzen in plaats van de eerste 20 in 1991. De Wincanton Classic wordt in Leeds verreden.

Zo is er elk jaar wel wat, maar vanaf 1999 wordt het beeld stabieler: de competitie gaat over 10 klassiekers en that's it. Zo blijft het tot en met 2004.

De vierde periode: 2005-2010 De Pro-Tour Competitie

In 2005 krijgt Verbruggen eindelijk zijn zin: de Pro-Tour wordt geintroduceerd. Een veel breder palet van koersen dan bij de wereldbeker wordt aangeboden, met name om de kwaliteit van het deelnemersveld per koers te verbeteren. Het koersprogramma doet erg denken aan de Super Prestige Pernod, maar is nog veel uitgebreider. In totaal maken 28 koersen onderdeel uit van het programma 2005. Per categorie (vetgedrukt weergegeven) worden de volgende koersen onderscheiden met tussen () het aantal koersen per categorie:
A. Tour de France (1)
B. Giro d'Italia en Vuelta de Espana (2)
C. Milaan-San Remo, Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix, Luik-Bastenaken-Luik, Ronde van Lombardije, Tirreno-Adriatico, Parijs-Nice, Ronde van het Baskenland, Ronde van Romandië, Dauphiné Libéré, Ronde van Zwitserland, Ronde van Catalonië, Ronde van Duitsland, Ronde van Polen en de Eneco-Beneluxtour (15)
D. Eindhoven Ploegentijdrit, Amstel Gold Race, Gent-Wevelgem, Waalse Pijl, Parijs-Tours, Clasica San Sebastian, HWE Cyclassics, Kampioenschap van Zürich, GP Plouay (9)
E. Het Wereldkampioenschap op de weg(1)
Voor zover het rittenkoersen betreft worden er ook punten per etappe toegewezen.

De Pro-Tour wordt niet echt een succes, want er is sprake van een vrijwel permanente machtsstrijd tussen de grote organisatoren (zoals de ASO) en de UCI. Regelmatig ontbreken er dan ook grote wedstrijden op het Pro-Tour programma, hetgeen de kwaliteit van de competitie niet bepaald ten goede komt. In 2010 is het voorbij en beginnen we in 2011 aan een nieuwe periode.

De vijfde periode: 2011- De UCI World Tour

De UCI World Tour is de opvolger van de Pro-Tour en behelst 26 wedstrijden. Enerzijds gaat het om relatief onbekende koersen die ook al deel uitmaakten van de Pro-Tour (zoals de Tour Down Under en de Ronde van Polen), maar anderzijds zijn ook alle klassiekers opgenomen, zowel de eendagsklassiekers als de grote etappewedstrijden (zoals Tour de Suisse em het Criterium du Dauphiné (Libéré)). Er doen 18 ploegen mee, die zowel het recht als de plicht hebben om in deze wedstrijden aan de start te verschijnen. Er doen twee Nederlandse ploegen mee: de RABObank en Vacansoleil. Laten we hopen dat dit circuit succesvoller is dan dat van de Pro-Tour. Er lijken op voorhand wel betere afspraken gemaakt tussen bv. UCI en ASO, dus de voortekenen zijn gunstig. Inmiddels weten we meer en kunnen we vaststellen dat het World Tour circuit (èn de continentale competities) een behoorlijk groot succes zijn. Dit leidt ertoe, dat in 2017 het aantal koersen fors wordt uitgebreid (in totaal 38) en dat ook de puntentelling fundamenteel wordt gewijzigd. Het gaat zelfs zo ver, dat de nummers 1 tot en met 60 bij de grotere koersen worden beloond. Dit was tot en met 2016 maximaal weggelegd voor de nummers 1 tot en met 25. Ook worden de bijklassementen bij de Grote Ronden beloond (dus GPM en Puntenklassement).