De Bergen in de Tour

1. Inleiding

Bergen zijn er altijd geweest in de Tour. In de beginfase werd dit echter nauwelijks geregistreerd. De Col de la Republique in de buurt van Saint Etienne werd in 1903 al beklommen, hetgeen zelfs Jean Nelissen niet serieus neemt in zijn boek De Bijbel van 100 jaar Tour. Ook in 1904 was de Col de la Republique van de partij. In 1905 werd het echt serieus met de Ballon d'Alsace, de Côte de Laffrey en de Col Bayard. De laatste twee cols liggen in de Alpen. In 1905 is Pottier degene die als eerste de Ballon d'Alsace bedwingt (Desgrange was vol bewondering daarover), maar de Fransman Maitron pakt de andere twee toppen. In 1906 slaat Pottier echt toe door alle drie de cols als eerste te bedwingen en kan zich dan met recht de eerste bergkoning van de Tour noemen. Let wel: er was dus nog geen sprake van een bergklassement of iets dergelijks!

2. Pyreneëen

Desgrange was permanent op zoek naar nieuwe uitdagingen en ging, ondanks dat hij in eerste aanleg bedenkingen had, in op een voorstel van zijn medewerker Alphonse Steines om de renners over een aantal Pyreneeëncols te sturen. Zo kon het gebeuren dat in 1910 de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque voor het eerst werden beklommen. Octave Lapize bleek dat het beste te kunnen, maar moest grote delen van het traject lopend afleggen omdat zijn klimfiets (men had nog geen versnellingen maar wisselde onder aan de berg van fiets) het niet redde in de steile stukken. Bovendien praten we niet over asfaltwegen, maar over modderige schapenpaden die nog een extra moeilijkheid voor de klimmers vormden.

3. Alpen

De Alpen waren dus al in de Tour vertegenwoordigd vanaf 1905, maar het echt grote werk ontbrak nog. Dit werd in 1911 deels ingevuld door de Galibier in het programma op te nemen. Daarna heeft het meer dan 40 jaar geduurd voordat de andere grote Alpencols werden opgenomen in het programma van de Tour. Dit heeft met name te maken met het feit, dat de meeste van deze bergen gewoon niet ontsloten waren en dus ontoegankelijk bleven voor zowel fietsers als (volg)auto's. In 1921 doet de Col d'Allos voor het eerste mee, in 1922 de Col d'Izoard, in 1948 de Glandon en in 1952 de Alpe d'Huez. De laatste berg werd overigens daarna pas weer in 1976 in het programma opgenomen.

4. Versnellingen en zo

Zoals gezegd zijn er qua klimmateriaal vier periodes in de Tour te onderscheiden. In 1903 en 1904 was er geen enkele voorziening beschikbaar en moest met een en dezelfde fiets het gehele parcours worden afgelegd. Vanaf 1905 werd de wisseltruc geintroduceerd en wisselden de coureurs dus onderaan de berg van fiets en deden dat nogmaals bovenop de berg. Voorwaarde was wel, dat de begeleiders tijdig ter plaatse waren. Zeker in de beginperiode (dus voor de eerste wereldoorlog) kwam het regelmatig voor, dat door de begeleiding door panne niet aanwezig kon zijn en de renner zichzelf moest redden. De derde periode begint in 1912 en houdt in, dat de renners aan beide zijden van hun achterwielen tandwielen hadden gemonteerd, waardoor zij slechts het achterwiel hoefden om te draaien als ze de voet van de beklimming bereikten.Vanaf 1937 stond Desgrange het gebruik van de derailleur toe, zij het dat slechts één merk werd gehanteerd: Super-Champion. De Tourorganisatie leverde immers de fietsen en bepaalde dus het materiaal tot ongenoegen van de renners. Overigens bestond de derailleur al lang en werd ook volop toegepast in andere wielerwedstrijden. Desgrange heeft zo lang gewacht met de invoering van de derailleur, omdat hij van mening was dat de wedstrijd daarmee te makkelijk werd en dat kwam de amusementswaarde niet ten goede.