Bergen in de Giro

Er zijn in de Giro drie belangrijke berggebieden: de Alpen, de Dolomieten en de Appennijnen. Daarnaast mogen de Alpes Maritimes ook niet worden uitgevlakt. Feitelijk is, naast de Povlakte, geen enkel gebied echt vlak in Italië, zodat een Giro voor de renners een voortdurend op en af betekent.

Vanaf 1969 werd de Cima Coppi toegekend (vernoemd naar de fameuze campionissimo Fausto Coppi), en wel aan de berg die "het dak van de Giro" vormde van dat jaar. Feitelijk dus de hoogste berg. Deze Cima Coppi levert dubbele punten op voor het bergklassement.

Aangezien Italië veel meer bergen van betekenis kent, is de spreiding van het aantal beklimmingen over die bergen ook veel groter dan bij de Tour de France. De Passo Pordoi is koploper in het aantal beklimmingen met 38 (bij de Tour is dat meer dan 70 keer). Verder scoren de Passo del Tonale  en de Passo di Rolle erg hoog met respectievelijk 23 en 22 beklimmingen (meetpunt 2008). Opvallend is verder, dat dit allen bergen in de Dolomieten betreft. De eerste Alpenreus is de Colle Sestrières met 14 passages.

De organisatoren van de Giro hebben de beschikking over een ongekend aantal Hors-categorie bergen: tot en met 2008 waren dat er meer dan 50! Vrijwel allemaal betreft dit bergen van meer dan 2000 meter hoogte. Kampioen zijn de Stelvio (2758 meter) en de Agnello (2748 meter). Op de webpagina GBergenInfo die de berginfo per categorie bergen weergeeft, kan op hoogte worden geselecteerd of op berggebied, zodat snel inzicht wordt verkregen over het aantal en de ligging van deze Giroreuzen. Ook de andere categoriën komen aan bod, behalve categorie 3 en 4. Ook hier hebben we last van voortschrijdend inzicht van de Giro-directie, waardoor indeling en waardering van bergen door de jaren heen is gewijzigd. Daar hebben we mee te leven.